Donderdagmiddag 4 februari 1916 is er op “De Tabbe”, een bank, die zich dwars van Gaast in zee bevindt, een schip vast geraakt dat assistentie nodig had. Het ging om de klipperaak “Rival”.‌ De sleepboot “Voorwaards” schipper van Urk vertrok daarop ten spoedigste derwaarts en kwam tegen de schemering ten hoogte van de strandingplaats. De sleepboot ging te diep om het schip te benaderen waarop kapitein van Urk de sloep van de sleepboot deed vieren teneinde een onderzoek op het nogal op eenigen afstand liggende schip in te stellen. In de sloep begaven zich kapitein E. van Urk, de machinist S.J. Van Dijk en bootwerker J.W. Grobbe, die als losse man met de sleepboot was medegegaan. Er woei een stijve oostelijke wind en de zee stond vrij hoog.
Men kwam bij het schip en toen bleek dat er reeds enige Hinderlooper Visschers met hunne vaartuigen langs zijde lagen; zij waren bezig de lading, bestaande uit steunen, puin en zand, deels over boord te werpen of in hunne vaartuigen over te laden, om zodoende het schip te lichten en vlot te maken tegen hoog water, dat over een paar uur zou opkomen. De Hindeloopers, die de berging op zich hadden genomen, wensten geen hulp van de sleepboot. De reddingboot van Gaast was te voren ook reeds bij het schip geweest en had de vrouw en kinderen van boord gehaald.
Schipper van Urk besloot daarom maar weer naar zijn ginds liggende sleepboot te roeien, hoewel de duisternis viel, de wind aanwakkerde en er een felle stroom ging. De sloep is echter niet meer bij de sleepboot gekomen. Den volgende morgen bleek het schip reeds in vlot water gebracht end de achtergebleven mannen op de “Voorwaarts”, de dekknecht S. Nederhoed en de stoker J. Sikkema, vroegen aan voorbijziende Hindeloopers of de kapitein met zijn mannen ook eindelijk terug kwam. Tot hunne ontsteltenis moesten zij hore, dat de sloep reeds den avond te voren was vertrokken: de Hindeloopers waren zeer bevreemd to horen dat zij de sleepboot niet bereikt hadden. De beide mannen hebben daarop de sleepboot te Stavoren weten te brengen daar zij het niet aandurfde door de Boontjes terug naar Harlingen te stomen.
Het gestrande schip, de klipperaak “Rival”, Schipper Kornet, thuis behoorende te Werkendam, kwam vrijdagochtend met de Hindeloopers binnen. Zij verklaarde niets te hebben gezien van de vermiste sloep. Natuurlijk werden de nabestaanden der mannen door de zoo noodlottige tijding met schrik en angst geslagen. Nadat naar verschillende plaatsen was getelefoneerd of men daar ook iets wist van de sloep, wat geen resultaat opleverde, werd besloten de reddingboot met de sleepboot “Nita” uit te zenden, ten einde een onderzoek in te stellen. Deze vertrok om 2 uur. Uit den aard der zaak kon dit onderzoek weinig vruchtdragend zijn, immers kon als vaststaande worden aangenomen, dat de mannen in hun open sloepje door een of andere oorzaak de “Voorwaarts” voorbij gedreven zijn, indien het bootje niet te voren omgeslagen was, wat ook mogelijk is. In’t gunstigste geval zouden zij de zee ingedreven zijn en waar zij niet ergens aangekomen waren, had waarschijnlijk toen de ramp plaats gehad.
De sleepboot “Nita” keerde met de reddingboot tegen den avond terug; de treurige mededeling luidde dat niets was gezien, zodat alle hoop moest worden opgegeven. Zoo zij dan drie brave oppassende huisvaders gevallen als slachtoffers van hun beroep; Evert van Urk, gezagvoerder, 42 jaar nalatende een weduwe met 4 kinderen; J.S. van Dijk, machinist, 26 jaar, nalatende een weduwe met 2 kinderen; J.W. Grobbe, bootwerker, 40 jaar, nalatende een weduwe met 8 kinderen. Hedenmorgen heeft de heer inspecteur van het loodswezen het loodsafhaalvaartuig, onder schipper Pronker, ter onderzoek uitgezonden. Er werd koers gezet naar het Zuiderrak en de Slenk. In het eerstgenoemde vaarwater werd de sloep ondersteboven aangetroffen. Men vermoedt dat de sloep donderdagavond op de tros van het uitgezette werpanker van de klapperaak is gestooten en omgeslagen, Het lijk van J.W. Grobbe is heden voormiddag te Makkum aangebracht.